Had de tip rond dit nieuwe museum voor digitale kunst in Parijs gelezen in “Frame Magazine #81.”Absoluut mijn favoriete tijdschrijft die ik haal lang volg. Ik had het enkele jaren uit het oog verloren door andere focus, maar nu ik het opnieuw heb ontdekt en het laatste nummer met eennummer van 2007 heb vergeleken moet ik zeggen dat ik zeer aangenaam verrast was. Ik vind het door de jaren nog sterker geworden. Minder pure reclame en meer interessante artikels waar bepaalde producten of materialen worden besproken. Een echte aanrader dus. (Note to self: zou die trouwens volgende keer digitaal moeten kopen om te zien hoe het op de iPad overkomt.)

De tip rond La Gaîté Lyrique dus. Het was midden de 19e eeuw een opera en operette theater die overleefd heeft tot eind de jaren ’80, toen er een tijdelijk “amusementspark” is gemaakt. Daarna stond het leeg tot 2002. Het gebouw heeft het dus door de jaren hard te verduren gehad. Tussen 2004 en 2011 werd het gebouw door het architectenbureau Manuelle Gautrand Architects nieuw leven ingeblazen. Het moest een meetingpoint worden voor kunst, digitale technologie en hedendaagse muziek. In maart is het open gegaan. Het gerenoveerde gebouw heeft zijn klassieke gevel en 1 grote leeszaal met de oorspronkelijke plafondschilderijen behouden. De rest is gloednieuw, groot en heeft potentieel om er van alles mee te doen. Het biedt letterlijk ruimte en mogelijkheden. Het architectenbureau heeft er geen digitale fancy ruimtes van gemaakt maar heeft een neutraliteit en eenvoud geboden waar de kunstenaars zich volledig in kunnen laten gaan. En daar wringt het schoentje bij mij dan vooral. Bij hetgeen wat werd gepresenteerd.
“Public Domain: Skateboard Culture” is de 2de tentoonstelling die La Gaîté Lyrique organiseert. Eerlijk toegegeven, het was vooral dat potentieel, dat gebouw dat me aantrok. Minder de tentoonstelling zelf. Ik heb, echt waar, geen enkele voeling met skateboarden. Ik heb er ooit 0,001 seconde opgestaan en na die 0,001 seconde belandde ik al, met de minst denkbare elegantie, Bridget Jones gewijs op mijn derrière, de pijn aan mijn staartbeentje door bijtent en haastig om mij heenkijkend of iemand me zo clumsy had zien vallen. (Gelukkig niet en als die er waren dan waren het ofwel de buren of mijn schoonfamilie, en daar had is nog wat krediet). Geen enkele voeling dus met skateboarden en dus ook geen voeling met de cultuur. Het deed me iedere keer terugdenken aan de onhandige pijn na die 0,001 seconde. Ideaal dus om er eens in te duiken en deze wereld te gaan verkennen 😉 En dan nog via hypermoderne media.
Inhoudelijk heeft de tentoonstelling mij geleerd dat het inderdaad een bepaalde cultuur is. Persoonlijk zou ik zelfs durven zeggen een passie, een obsessie, die gedeeld wordt met even harde skate (gecombineerd met soms andere) verslaafden. Eens je erin geraakt, zie je het overal, leef en beleef je het, zoek je het, adem je het, spreek je het, ben je het. Het zijn mensen op zoek om de fysische grenzen te verleggen. Uren werken ze samen aan het ontwerpen en bouwen van een terrein. Alles wordt wel getoond in ettelijke flitsende seconden video, maar uren moet dit kosten om de meest uitdagende terreinen te bouwen, op te zoeken. Het moet inderdaad een grote samenhorigheid creëren. Een gezamelijk doel.
Ook de grote merken voelen dit aan. Nike, Carhart, om er maar enkele te voelen, begrijpen deze cultuur maar al te goed en schrijven foto- en videowedstrijden uit, sponsoren projecten o
m ervoor te zorgen, niet dat hun merk vooraan staat, maar dat deze skate gepassioneerden die passie kunnen uitdragen, uitstralen, delen en meer mensen overtuigen om eraan deel te nemen.
Ik heb gezien dat bij dat zoeken en verleggen van grenzen het ook wel eens moet mislukken om te zien hoever men kan gaan. Gebroken armen, geschaafde gezichten, niet enkel door de fysische grenzen van de zwaartekracht te verleggen maar ook door de psychische na het gebruik van middelen om de grenzen van de durf te verleggen, if you get what I mean. Maar de schade die in beeld werd gebracht was eigenlijk zeer beperkt. Ik vraag me af of dat kleine percentage wel realistisch is en het totale beeld van durf, kracht, ambitie, obsessie en passie niet wat al te geïdealiseerd is.
Maar dat de passie groot is, dat kan je duidelijk zien aan het bouwen van een huis dat skatable is (Gil Le Bon Delapointe: PAS House, 2011) en het installeren van een “skatebad” in je tuin in plaats van een zwembad (Lance Mountain: Gonzales Pool, 2011 en Lance’s Pool: 2011), zelfs het maken van biljart-like tafels maar ipv het groene laken zie je een organisch ronde kuip op schaal van een werkelijk terrein.
Ik heb inhoudelijk ook geleerd dat, naast de sociale en psychologische aspecten, ook heel sterke boodschappen worden uitgedragen op de skateboards zelf. Politieke boodschappen. Het ziet er niet altijd even ruig uit als de punkers uit mijn tijd, maar op hun, meer gestyleerde, cartooneske en daardoor ogenschijnlijk bravere manier komt het wel heel duidelijk over (Verschillende artisten: Agents Provocateurs). Ik herinner me een portret samengesteld uit de ene helft Bush en de andere helft Hitler. Dat kan toch staan naast “God save the Queen” van de Sex Pistols in de tijd.
Het was dus tof om eens van die wereld te kunnen proeven. Persoonlijk vooral om te zien hoe die passie voor een voor mij onbekend terrein de grenzen van de algemene beeldcultuur kunnen verleggen. En daar zit bij mij toch wel wat ontgoocheling. Toen de architecte van het gebouw vertelde van het potentieel dat ze in het gebouw hebben geïntegreerd, toen de doelstelling van het gebouw zich specifiek richtte op digitale, technologisch vernieuwende kunst, had ik mij er iets meer van voorgesteld.
Massa’s video’s en foto’s (Skate and Destroy: 30 years of Thrasher Magazine 1081 – 2011) heb ik gezien, muziek en soundscapes (DVNO: Echoes of Anhangabaù) gehoord. Foto’s geprint op muren (Mike O’Meally), op skateboards (verschillende artisten: Agents Provocateurs), video’s geprojecteerd via beeldschermen (The Chosen, 2011), op muren, op een video wall (Ty Evans: Lakairomania, 2010) op skateboards (Fred Mortagne: Hybridation 2011). Gigantisch groot geprojecteerd (Mike Manzoori: Aimless, 2011). Extreem snel geprojecteerd (Stéphane André: Mydadsfavoritepainter, 2011).
Ok, het gebouw heeft me getoond welk potentieel het heeft aan soort materiaal, kwaliteit en kwantiteit, maar de tentoonstelling heeft voor mij geen grenzen verlegd in de beeldcultuur. Globaal gezien heeft het me wat ontgoocheld hoewel ik enkele pareltjes er toch wil uitlichten en de eer wil geven die ze verdienen:
  • DVNO: Echoes of Anhangabaù, 2011
    Een geluidskamer van 3 op 5m, knap vorm gegeven door de ronde vormen, de witte kleur, de eigentijdse led verlichting en de knappe eigenwijze zit sculpturen, maar vooral opvallend door de interactieve vloer. Het bevat sensoren zodat bij het stappen andere soundscapes uit de boxen komen. In die zinkrijgt iedereen min of meer dezelfde intro bij het binnenkomen maar afhankelijk van het aantal mensen en het pad dat je aflegt krijg je dus een andere mix van skate geluiden uit het legendarische skateboard plaatsje in San Paulo Brazilië, die het architecturale patrimonium op een regelmatig kloppend en schuivend ritme beschadigen, gemixt met muziekfragmenten en stemsamples. Resultaat: een sfeer van een geluidspollutie van deze specifieke plaats. Knap om er een kwartiertje in te blijven luisteren en observeren.
  • Cédric Viollet & Edouard Le Scouarnec: Prisme, 2011
    Een videoprojectie op een 3D scherm. Stel je voor, het scherm bestaat uit een klassiek rechthoekig plat wit vlak, waaruit van in het midden een punt van eenprisma uitpuilt. Je krijgt dus een scherm met 4 vlakken. Daarop wordt een video geprojecteerd van een springende skater op een heel minimalistische manier in beeld gebracht. Je ziet een lijn van het oppervlak van waarop de skater is gesprongen en die lijn snijdt het 4-vlakkig scherm nog eens in 2. Je krijgt dus een zalige interactie en interferentie tussen de reële vlakken van het scherm en de geprojecteerde vlakken van de video. En daar hangt dan een figuur met zijn schaduw in slow motion op te zweven. We gaan nog een stap verder. Op bepaalde momenten wordt het geprojecteerde beeld nog verder opgedeeld met blue screen vlakken die het geheel nog dieper maken. Je wordt dus als toeschouwer constant heen en weer geslingerd tussen realiteit en fictie, tussen figuratie en abstractie. Daarbij werd nog een geluidsband aangeboden,maar eerlijk gezegd was ik zo “overwelmd” van de visuele stimuli, dat ik die auditieve niet meer heb opgeslagen. Voor mij alvast een topwerk waar ik inspiratie uit zal putten!

  • Benjamin Deberdt & Mark Gonzales: Le cercle, 2011
    20 zwartwit foto’s van een performance van een skater die een 20-tal skateboards achter elkaar heeft vastgemaakt en dan in een cirkel, een boog gemonteerd. Foto’s waren realistisch genomen van de performance, soms verwerkt als een collage, maar op allemaal voorzien van minimalistisch abstracte, grappige cartoon figuren in zwarte stift die een interactie met de inhoud van de foto aangingen. Vb. het witte t-shirt van de skater kreeg grappige mannekes, tussen de toeschouwers werden nog wat cartoon mannekes bijgetekend. Opnieuw die interferentie tussen die 2 media sprak me enorm aan. En natuurlijk de humor om een man te zien skaten op een boog van een skateboard aangevuld met stripfiguurtjes en teksten was wel verfrissend.
2 werken vond ik dan weer onbegrijpelijk. Een naam als Damien Hirst doet inderdaad belletjes rinkelen en verwachtingen rijzen. Zijn serie “Supreme Spots Skateboard Deck” van 2009 kon bij mij echter niets laten rinkelen. Ik vond geen enkele aansluiting bij de tentoonstelling noch bij de inhoud van zijn eigen werk, die ik eerlijk gezegd nu ook niet zo goed ken, behalve dat het afbeeldingen waren op skateboards. In het programmaboekje staat:
Cet artiste anglais présente une série de planches de skate qu’il a imaginé. Ce travail reprend les “Spot paintings,” de peintures qui présentaient déjà des alignements de points colorés. Ses points colorés sont en réalité des réprésentations de psychotropes bien connus comme l’opium ou le LSD.”

Inhoudelijk zit het dus wel snor. Ik kon het er echter met de beste wil van de wereld niet in zien. Het zal wel aan mij gelegen hebben.
Daarnaast nog een videoprojectie van “Mydadsfavortepainter” uit 2011 van Stéphane André vond ik maar niets. Een versnelde video van iemand die een cover van een Skatemagazine “overschildert” op een grote canvas. Toegegeven, de man had een vaste hand, maar dit noem ik geen schilderen, maar inkleuren. Het kon me absoluut niet boeien, integendeel. Geen kunst voor mij, noch de video, noch het schilderij.
Conclusie, ik heb er dus heel wat uit geleerd. Zalig om eens in een nieuwe wereld te duiken en te zoeken naar aansluiting met je eigen leefwereld. Zalig om te zien wat de kunstenaars ermee gedaan hebben en om te zien hoeveel meer potentieel er nog inzit. Al bij al vond ik het een behoorlijk conservatieve beeldvorming. Eigenlijk een gemiste kans. Wat had het leuker geweest als de integratie van social media in het sociale aspect van de skate wereld. Zitten de toonaangevende skaters op Facebook of Twitter? Kan ik ermee communiceren? Worden daar politieke statements gedeeld? Worden social media gebruikt om plannen te smeden, zich te organiseren? Wat met het design proces van die terreinen? Al die voorbereidingen. Daar moet de hedendaagse technologie toch een rol in gespeeld hebben? Zet mij in dat skate huis? Laat me ervaren wat het is om te skaten in dat huis op een virtuele manier? Laat me een game spelen die diezelfde grenzen van die skaters laat aanvoelen. Het zijn maar aanzetten hé, want ik ben geen digitale kunstenaar, maar het had toch verder gekund, het gebouw heeft er alvast alle potentieel voor.